- Verdeel de klas in groepen van 3 à 4.
- Lees de poëzierecensies van jouw groepsleden en post in een reactie op de berichten jouw opbouwende kritiek.
- Lees op Toledo (Taalvaardigheden - Cursusdocumenten - Poëzierecensies) de recensie uit Poëziekrant.
- Schrijf als reactie op dit bericht welke recensie van jouw groepsleden volgens jou de beste is en wat je geleerd hebt van de professionele recensie uit Poëziekrant.
De blog van en voor studenten Nederlands van de lerarenopleiding KATHO-RENO in Torhout.
dinsdag 11 mei 2010
Reflectie poëzierecensie Ducal
maandag 10 mei 2010
"Poëzie is de opstandigheid van de mens tegen wat hij is."
Ducal debuteerde in 1987 met de bundel Het huwelijk en timmert sindsdien verder aan een gevierd oeuvre. Hij sleepte al verschillende literaire prijzen in de wacht met enkele van zijn eerdere bundels. Zo won hij met Moedertaal de prijs voor letterkunde van de Vlaamse provincies en met De hertog en ik de prijs van de Vlaamse gids. In 2007 won hij zijn eerste Herman De Coninck-prijs voor de dichtbundel In inkt gewassen. Het werk van de leerkracht Nederlands werd al in verschillende bloemlezingen zoals Kerkhofwachters opgenomen.
Meanderend tussen droom en werkelijkheid, eigenliefde en zelfhaat creëert Ducal, met een bewonderenswaardig gevoel voor taal en argumentatie, een vaak cynische vorm van poëzie, trouw aan het leven en aan zichzelf. Dit gaat niet zelden gepaard met een zweem van paradox en de nodige controverse.
Met Forchta in Bivonca zet Ducal meteen de gepaste toon: 'Ik weet dat ik mezelf moet schrappen / om plaats te maken voor de poëzie.' Als een ware Don Quichot, vervuld van dromen en idealen, tracht Ducal het woord te ontrukken aan het vleselijke, het menselijke dat de poëzie dreigt te verstikken. Immers ‘alleen in eigen leven kan men leren / het woord te scheiden van het vlees’, doch we stranden allen op een magere kopie van het origineel. Doordrongen van haat en jaloezie onderneemt Ducal diverse pogingen om de lyriek opnieuw uit te vinden. Tevergeefs zo blijkt, ‘de zuivere lyriek is altijd plagiaat’.
Toegedekt met een liedje is, naast de proloog Forchta in Bivonca en de epiloog Envoi, onderverdeeld in drie delen, waarvan het eerste en het laatste deel nogmaals werd opgesplitst in drie stukken. In Niet uit de rib tracht Ducal zijn eigen vrouw te doorgronden en de muren die haar ware gelaat omringen één voor één te slopen. Als een beeldhouwer beitelt Ducal met woorden, ijverend naar dat ene realistische portret. Om daarna met School der pornografie schaamteloos te vervallen in oeroude , typisch mannelijke, gewoontes. Hij slaagt er niet in om verder te kijken dan het uiterlijk en zijn eigen seksuele verlangen. ‘Het oog is een onpeilbaar gat, / maar ziet nooit diep.’ Een onweerlegbare dualiteit typeert Ducal, aan de ene kant streeft hij naar een hoger, immanent en niet nader omschreven iets, terwijl hij steeds verder vervalt in een aardse, haast dierlijke drift.
‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. (Johannes 18:36)’ leidt het tweede deel in.
De werkelijkheid is Ducal ontrouw, zij bestaat niet en vormt daardoor een niet te vatten benadering. ‘…om van het diep in ons de peilloosheid te meten / en niet te merken dat het stinkt.’
In deel drie lijkt het afscheid te worden voorbereid. ‘Ik moet verliezen maar ik kan nog winnen’ mompelend, haast onhoorbaar. De sombere ondertoon wordt slechts een zeldzame keer kortstondig doorbroken door een sprankel hoop, om even snel weer uit te doven. ‘God is dood. Er is geen lijden / buiten ons. Het is van ons.’ Nietschze komt ten tonele en verjaagt de, van verlangen en drift doordrongen, Freud definitief van de plankenvloer om vervolgens Ducal aan de dodenwake te laten beginnen. Ducal droeg Toegedekt met een liedje namelijk op aan een overleden vriend en laat zijn emoties de vrije loop. Lijden, pijn, afscheid en verdriet, maar ook onbegrip en woede banen hun weg naar de oppervlakte. Ducal omarmt ze allen als zijnde vrienden uit een ver verleden.
Ducal tracht met zijn dichtbundel de lezer te raken en slaagt, met vlag en wimpel, in zijn opzet. Wat zich schijnbaar voordeed als een luchtige dichtbundel, blijkt een vat vol emotie dat de lezer naar de keel grijpt wanneer hij dat het minst verwacht.
maandag 3 mei 2010
In zwijgen en in tegenspoed
De 52-jarige Ducal werkt al enkele jaren gestaag aan een gesmaakt oeuvre. Met zijn eerdere bundels heeft hij al enkele prijzen in de wacht gesleept en tijdens Gedichtendag 2010 zag het Vlaams Fonds voor de Letteren in Ducal dé pleitbezorger voor poëzie aan een groot publiek. De gerenommeerde dichter wil met zijn gedichten dan ook het onzegbare zegbaar maken. Wil je het oppervlakkige overstijgen en de wereld taal geven, dan moet je een stem geven aan muziek en poëzie. Dit motief vinden we niet alleen in de titel terug, maar duikt ook geregeld in de bundel op. Zo heeft Ducal het meermaals over ‘poëzie’, ‘woordenschat’, ‘zingen’, ‘spreken’, ‘taal’ en ‘liedje’. De dichter last echter ook vaak een stilte in, want hij beseft dat het er in de werkelijkheid anders aan toegaat; het zegbare moet je soms onzegbaar maken. De bundel zit dus vol paradoxen, maar poëzie slaagt erin om te zalven en de lezer zwijgend toe te dekken. ‘Wij maken geen sporen’, lezen we, ‘Alleen wat gestuif, heel licht, als van poëzie.’
In zijn bundel Toegedekt met een liedje steekt Ducal meteen van wal met deze opener van formaat: ‘Ik weet dat ik mezelf moet schrappen / om plaats te maken voor poëzie.’ De inleider van de bundel Forchta in bivonga bewijst al dat de dichter thuis is in de wereld van de grote verhalen. Hij gooit immers een visje naar de Wachtendonckse psalmen, één van de bekendste overgeleverde teksten uit het Oudnederlands. In hetzelfde gedicht vinden we ook een kwinkslag naar Johannes: de regel ‘alleen in eigen leven kan men leren / het woord te scheiden van het vlees’ zinspeelt op het Bijbelvers ‘En het woord is vlees geworden’. Ducal maakt hiermee duidelijk dat de taal een podiumplaats verdient en de dichter van ondergeschikt belang is.
‘Poëzie kan je lezen in de ogen van mensen die je liefhebt, maar zonder poëzie zou je je de precieze kleur van die ogen niet meer kunnen herinneren.’De bundel heeft een duidelijke structuur. Tussen het prolooggedicht en de epiloog Envoi zijn er drie delen, waarvan de eerste en de laatste nog eens onderverdeeld zijn in telkens drie cycli. In Niet uit de rib licht hij een tipje van de sluier op over zijn eerste huwelijk. Zij is ‘een windvlaag door mijn woordenschat, / maar ’s nachts vriezen haar kaken vast.’ Alweer een contrast dat ons naar de volgende afdeling brengt: Onder dit spreken. Hierin wil Ducal zich losschoppen, maar hij beseft dat je ook gevangen kan zitten in taligheid. ‘Dat ik stik in mijn eigen, mijn enige taal,’ zegt hij gesmoord. Met School der pornografie alludeert Ducal op Luceberts School der poëzie. Waar Lucebert afrekent met zijn dichterlijke voorgangers, reageert Ducal met ‘Wij kunnen dit de naam gruwel geven’ tegen onmenselijke extremen die internetporno beloven. Daarnaast trekt hij in het gelijknamige titelgedicht van deze cyclus ook een parallel met de Irak-oorlog. ‘Pornografie is de moeder van de politiek’, lezen we. Het misbruiken van Iraakse gevangenen linkt Ducal met de wreed-heden in de porno-industrie.
In het tweede deel gaat de dichter vrijuit, zij het wat aarzelend. Het leven trekt zich niets aan van poëzie, zij kan niet alle muren slopen. In het motto naar Johannes staat dan ook ‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld’. Hij ziet de wereld om zich heen zoals ze echt is en concludeert: ‘Wij hebben ook gezwegen ... / om van het diep in ons de peilloosheid te meten / en niet te merken dat het stinkt.’
In deel drie heeft poëzie een berekenende gedaante aangenomen in FAQ I. De inspiratie om een gedicht te schrijven, komt vanzelf en daar hoeft de dichter niet naar te zoeken. In het volgende onderdeel staan de dagdagelijkse dingen centraal, waarin de taal groots is. De gedichten over ‘mijn lief’ ontvouwen zich met een grote openheid en het ritme versnelt, alsof de dichter meezingt met een liedje. In de laatste afdeling Zoveel as krijgen we plots het deksel op de neus. Geen luchtigheid meer, de deuntjes deinen weg. Ducals moeder en zijn goede vriend Johan zijn in deze cyclus uitgestrooid. Johan heeft ook de opdracht van de bundel gekregen. ‘Er moet een huis zijn op het einde van de weg, / het moet om dit gewicht te kunnen verder dragen.’ Hier spreekt verlies uit en realiteit. Toch merken we ook hier weer een tegenstelling: poëzie kan je lezen in de ogen van mensen die je liefhebt, maar zonder poëzie zou je je de precieze kleur van die ogen niet meer kunnen herinneren.
Toegedekt met een liedje heeft dus een grote variatie van onderwerpen, maar Ducal goochelt ook met versvormen. Het rijm wordt veelal ingeregen in een korset van drie kwatrijnen, met af en toe een dansende slotzin na een betekenisvolle witregel.
In Ducals gedichten weerklinkt er vaak een negatieve noot, maar toch is het contrast nooit ver weg met een sprankeltje hoop. De bundel leest bedrieglijk eenvoudig, maar slaat en zalft tegelijkertijd. Toegedekt met een liedje reist de mogelijkheden van de taal af en laat sporen na. Dit moet je lezen als je geraakt wil worden.
Toegedekt met een liedje, Charles Ducal, Uitgeverij Atlas, Amsterdam / Antwerpen, 2009.
dinsdag 12 mei 2009
I am still right here...
(Johnny Cash, Hurt)
Het is gek om brieven te lezen die niet aan jou gericht zijn, een beetje onbeleefd ook want het hoort niet, maar het weet te plezieren. Er wordt verteld wat jij niet hoeft te horen, wat twee mensen elkaar te zeggen hebben, als niemand anders het horen kan.
Eenzelfde gevoel overvalt me bij het lezen van Gerrit Kouwenaars bundel Totaal witte kamer. Het boekje bestaat uit vier delen met gedichten opgedragen aan zijn overleden vrouw Paula. Het mag daarom niet verwonderen dat de meeste, en de betere, gedichten handelen omtrent afscheid nemen, herinneringen oprakelen, het rouwen en het wederom opnemen van het gewone leven…
De wondermooie opener Een nadag lijkt hoop te geven, na regen komt zonneschijn, maar maakt meteen duidelijk dat alles anders is voor de oude dichter zo zonder zijn vrouw, de zon schijnt anders.
Vooral in de acht gedichten van het onderdeel Totaal witte kamer wordt Kouwenaar heel persoonlijk en ontleedt hij minutieus, maar oh zo teder, zijn verlies. Het is het schrijven van een man die zich vastklampt aan die laatste mooie herinneringen, vooraleer ook die vervagen tot schimmen in de mist der tijd.
Waar geurde je toen naar, toen, het was
Een woord dat er niet was, zomersneeuw, zweem
Van lichtweefsel, mondstilte, honinggras
(Woorden als deze)
Je bent zo volledig alom afwezig, zozeer
In verhangen kleren onteeuwigd
(Niet geschreven)
Het zijn maar enkele verzen uit Totaal witte kamer, die stilte afdwingen.
Er zal bemerkt worden dat Kouwenaar het zijn lezer veel te moeilijk maakt; dat zijn zinnen een loopje nemen met de logica van de semantiek, en dat de enjambementen alles behalve bevorderend zijn bij het lezen. En deze bemerkingen kloppen, want Kouwenaars gedichten lezen niet makkelijk, maar dat is goed zo, want pijn en verdriet werken beter moeilijk.
Zijn er dan geen minpunten aan deze bundel? Jawel, gedichten als Parkwandeling of A happy childhood passen inhoudelijk minder bij het deeltje Totaal witte kamer en breken ‘de feeling’ daarvan enigszins. Sommigen zullen dit als een positief iets beschouwen, het kan tenslotte niet enkel kommer en kwel wezen, doch hun mening deel ik niet; een groots thema als de dood dat zich zo moeilijk laat bevatten, maar dat hier zo eerlijk, intiem en weinig dramatisch aan bod komt, heeft geen nood aan uitstapjes naar her en der.
Wanneer ik Gerrit Kouwenaars gedichten lees, besef ik dat deze er eigenlijk niet voor mij zijn. Het zijn briefjes en bedenkingen van een dichter gericht aan zijn vrouw, het zijn de allerlaatste dingen die hij nog wou zeggen, als hij daartoe de kans kreeg, en als niemand anders het horen kon. Maar anderzijds weet het lezen ervan me te plezieren, plezieren door de schoonheid van het treurniswekkende, en het doet me bedenken dat het leuk zou zijn moesten er bibliotheken zijn daarboven. En als die er zijn, daar in de hemel, en als Kouwenaars vrouw er deze gedichten leest, dan zal zij dit moeten erkennen: wat heeft die man van mij me toch oprecht graag gezien. En dat moet het grootst mogelijke compliment zijn, dat Kouwenaar met deze bundel kon bekomen.
zondag 3 mei 2009
Liefde in zwart-wit
Toen ging bij mij een lampje branden. Ik begaf me onmiddellijk naar de sales manager (zo heet dat tegenwoordig) van Colora en zei: “Meneer, ik heb een schitterend idee om al die witte verf zo snel mogelijk verkocht te krijgen.” “Wat mag dat dan wel zijn, jongeheer?”, sprak de vriendelijke man mij meteen toe. “Heel eenvoudig”, antwoordde ik, “een reclamecampagne opstarten aan de hand van een heel bekend gedicht van één van mijn favoriete auteurs, Gerrit Kouwenaar. Dat gedicht gaat ongeveer zo:”
Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik
dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later
en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar
dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen –
“Hmm, niet slecht, waarom heb ik dat idee zelf niet bedacht?”, zei hij meteen.
Ongelofelijk, maar waar… na exact één uur was alle witte verf uitverkocht! Als beloning kregen mijn ouders, gratis en voor niets, alle verf die ze nodig hadden om de woonkamer te schilderen!
Vanmorgen nog belde de PDG van Colora Oostende mij op: “Meneer Casier”, zei hij, “U hebt ons gered van het faillissement. Hoe kunnen wij u ooit bedanken?”. “Och, beste man”, antwoordde ik bescheiden, “Bedank liever Gerrit Kouwenaar. Hij heeft de bundel Totaal witte kamer immers geschreven, niet ik!”
En zo leefden de uitbaters van verfwinkel Colora nog lang en gelukkig!
Elk sprookje bevat een moraal. De moraal van dit sprookje is: de gedichten van Gerrit Kouwenaar zijn (sommige althans) heel aangrijpend, als je tussen de regels leest. Poëzie in zijn puurste vorm, om het in vijf woorden te formuleren.
Hoe contrasterend, een zwarte kaft met daarop de titel: Totaal witte kamer. Pas toen ik te weten kwam dat Kouwenaar de dichtbundel schreef na de dood van zijn vrouw, werd de bedoeling mij duidelijk. Een zwarte (symbool voor de dood) achtergrond met een witte (symbool voor hoop) tekst… het doet me eigenlijk denken aan de actie van koningin Fabiola: een witte outfit dragen op de begrafenis van haar echtgenoot, onze geliefde koning Boudewijn.
De bundel Totaal witte kamer, die in 2002 verscheen, bestaat uit 27 gedichten. Moderne gedichten, zo kunnen ze we wel noemen. Opvallend immers zijn de telkens wisselende regel- en strofelengte en het ontbreken van rijm en leestekens, behalve dan het gedachtestreepje, waarmee de auteur bijna alle gedichten afsluit. Alsof Kouwenaar zich telkens afvraagt: “Hmm, zou ik m’n gedicht hier al beëndigen, of nog even doorgaan?”
Kouwenaars dichtbundel is best wel aangrijpend, maar o zo moeilijk toegankelijk voor de massa. Om zijn gedichten echt te begrijpen, moet je wel eens tussen de regels lezen (zoals ik al had vermeld), maar moet je eerst en vooral over enige voorkennis beschikken.
Toen ik Een glas om te breken voor het eerst las, dacht ik: “Wat een onzin is dit?”
Voor ik aan de volledige dichtbundel begon, had ik me dan ook voorgenomen om mij eerst even te informeren over het leven en werk van Gerrit Kouwenaar. Zo kwam ik o.a. tot de vaststelling dat hij vroeger toneelstukken heeft vertaald, o.a. van Bertold Brecht en Jean-Paul Sartre. Laat ons hopen dat die toneelteksten iets toegankelijker waren voor het grote publiek dan de meeste van zijn dichtbundels! Want wat moet iemand zonder enige voorkennis zich immers voorstellen bij het lezen van volgend gedicht:
Liggend in zwart in de helderste kamer
bevat men volmaakt wat het afschrift onteigent
vult men gedwee zijn inhoud met leegte
omdat vlees moet geschreven verhongert de hemel
omdat taal moet ontleven moet men ontbinden
lidwoorden longen lipletters speeksel
iets dat hier klopt is meer dan een stilte
uren herhalen zich zonder beginnen
het ogenblik zoekt een glas om te breken –
Hoe kun je in godsnaam je inhoud gedwee met leegte vullen? Of volmaakt bevatten wat het afschrift onteigent? Het zijn één van de vele vragen die Jan met de pet zich wellicht zou stellen!
“Och, die dekselse Gerrit”, dacht ik een aantal keer bij mezelf toen ik z’n gedichten las. Je verdriet op zo’n zeemzoete manier kunnen uitdrukken... het is een gave die maar weinigen gegeven is!
zaterdag 2 mei 2009
Rouwen in stijl
De zwarte kaft met de kille blauwe en witte letters vormt een echte eyecatcher. Via het kleurenspel licht Kouwenaar al een tipje van de sluier op waarover deze dichtbundel gaat. De zwarte kleur staat symbool voor de dood terwijl het blauw de kilte van zijn eenzaam bestaan uitdrukt. De witte letters bieden de dichter een hoopvol toekomstperspectief aan. Het vierkant is een openstaande deur die de lezer uitnodigt om de dichtbundel en het leven van Kouwenaar binnen te stappen.
De waardering voor zijn dichtbundel ‘Totaal witte kamer’ liet niet lang op zich wachten. In 2004 mocht Gerrit Kouwenaar de Karel Van de Woestijneprijs in ontvangst nemen. Daarnaast kreeg hij ook de vijfjaarlijkse prijs voor poëzie 2005 van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL). Deze dichtbundel liet ook de jury van de VSB-poëzieprijs niet koud.
Dit meermaals bekroonde werk bestaat uit vier grote delen: ‘een glas om te breken’, ‘vier variaties bij een drieluik’, ‘tussentijds’ en ‘totaal witte kamer’. Het eerste deel, ‘een glas om te breken’, verscheen voor het eerst in 1998 ter gelegenheid van Kouwenaars 75ste verjaardag. Pas in 2002 werd dit deel aangevuld met de drie andere delen.
De nu 86-jarige Kouwenaar schreef de gedichten naar aanleiding van het overlijden van zijn vrouw. In ‘Totaal witte kamer’ omschrijf hij op een stapsgewijze poëtische manier de delen van het rouwproces die hij doorloopt. Dat proces verloopt met vallen en opstaan. In zijn gedichten omschrijft Kouwenaar welke leegte zijn vrouw achterlaat en hoe hij probeert verder te leven zonder haar. Hij probeert via zijn gedichten haar dood een plaats te geven en wil zonder haar te vergeten een nieuw hoofdstuk in zijn leven beginnen.
In deze dichtbundel neemt Kouwenaar de lezer mee in zijn web van mijmeringen over zijn leven met Paula, over de dood, over rouw en over de vergankelijkheid van alles wat bestaat. In deze voorbeelden staat de vergankelijkheid van ‘het vlees’, zijn vrouw Paula, centraal.
‘… in het vlees dat bestaat als sneeuw voor de zon’
‘het vlees nog onsterfelijk’
Ik hou enorm van de manier waarop Gerrit Kouwenaar schrijft. Zijn formuleringen zijn erg realistisch en doen je vaak naar adem snakken. Het is gemakkelijk om de handelingen en de plaats waar de gedichten zich afspelen, visueel voor te stellen. Je krijgt een helder beeld van wat er in de auteur omgaat door de manier waarop hij de gebeurtenissen en zijn gevoelens omschrijft in het gedicht ‘Toen wij’.
‘Toen wij onze handen over ons hart streken
weet je nog hoe het klopte, hoe onze helften
eensklaps weer waar waren, woorden bij kaarslicht’
‘… , wij waren tevreden
zo liggend in wat wij bezaten, het ogenblik
dat ons omarmde, viel toen de tijd in’
De lezer kan gemakkelijk de kern uit de gedichten halen zonder de versregels tot op het bot te ontleden. De gedichten van Kouwenaar zijn zowel voor de geoefende lezer als de literaire leek toegankelijk. Dit is vast en zeker een van de redenen waarom Kouwenaar geliefd is bij het brede leespubliek.
Kouwenaar wekt gevoelens op bij de lezer door op een sublieme manier te spelen met taal en stijlfiguren. De enjambementen zorgen ervoor dat de honger van de lezer niet gestild wordt. Je wil verder lezen om zo dieper te graven in de gevoelswereld van Gerrit Kouwenaar. De sterke ritmiek en de opsommingen in de gedichten zorgen ook voor meer emotionele diepgang. In het gedicht ‘gemompel’ treden deze kenmerken op de voorgrond.
‘nu vogels in grote getale, zwartwolken verhalen
die de verte afschrijven, dichtvouwen als een krant’
Met de krachtige woorden ‘zwart is de mode’ sluit Kouwenaar zijn rouwproces af. Het is genoeg geweest, hij is klaar om verder te gaan. De dichter deelt zijn levenservaring met de lezer. Hij wil de lezer doen stilstaan bij de kleine dingen van het leven want voor je het weet zijn ze weg. Alles vergaat, dus geniet van elk moment.
vrijdag 1 mei 2009
Een blik op de pijn en het geluk van liefde
Gerrit Kouwenaar scheef ‘Totaal witte kamer’ na het verlies van zijn vrouw, aan wie hij de dichtbundel opdroeg. De titelkeuze symboliseert een nieuw begin: een leven zonder zijn vrouw. De witte titel contrasteert met de zwarte cover. De tegenstelling onschuld (wit) en dood (zwart) kan hier moeilijk over het hoofd worden gezien. Opmerkelijk is het vierkant dat centraal op de cover pronkt. Het is net een venster waardoor je kan binnenkijken in een kamer. Als het ware een raam dat de lezer een blik gunt op de dichtbundel.
De opbouw van de bundel kan je vergelijken met een drieluik. Ten eerste heb je de gedichten die horen bij de titel ‘Een glas om te breken’. Hiermee wil de dichter waarschijnlijk verwijzen naar de spanning die de dood teweeg brengt. Ten tweede zijn er de gedichten waarbij hij terugdenkt aan het verleden maar beseft dat hij verder zal moeten gaan met zijn leven.
Ik ben vastgelegd aan een heden
maar draag een verleden naam
Deze gedichten krijgen de titel ‘Tussentijds’. Ten derde heb je de gedichten die vallen onder de titel ‘Totaal witte kamer’. Met dit deel begint Gerrit Kouwenaar als het ware met een schone lei. De bovenbeschreven opbouw symboliseert het rouwproces dat de dichter heeft doorlopen.
‘Een nadag’ is één van de gedichten die je terugvindt in de bundel. De dichter verwijst met dit gedicht naar de vergankelijkheid. Ooit leken bepaalde zaken zoals ouder worden, aftakeling en sterven zo ver weg. Nu is echter het moment gekomen waarop deze alom aanwezig zijn. Als lezer kan je sporen terugvinden van het centrale thema: de dood. Zo schrijft Gerrit Kouwenaar een verwijzing naar het cremeren neer. ‘…het vuur zich ontstak en de muren zich warmden.’ Ook verwijst hij naar de kilte die zijn vrouw nalaat en hoe onaangenaam hij het vindt om zonder zijn vrouw verder te leven. ‘…en dat men het koud had en vlees at en dat het vlees niet meer smaakte…’ Woorden zoals ontslapen en ontzeggen zijn niet vreemd in deze bundel. Het thema dood zit in deze woordkeuze. Met behulp van het voorvoegsel –ont neemt de dichter telkens iets van het woord weg.
Het moest er eenmaal van komen dat men alles
al kende, dat weer overal gras mokte
waar het ontzegd was, dat de mondige heg
het uitzicht benam, de bijl moest geslepen
dat men op een nadag de verte terugzag
dat de verte nabijer dan ooit was
dat men het jaar van de dag was vergeten
dat het huis zich verwoond en ontvreemd had
dat men in zijn ingewand inbrak, het bed
ontslapen gereed lag, de kamer geleegd was
zich nog eenmaal voorgoed voor het eerst zag
en dat men het koud had en vlees at
en dat het vlees niet meer smaakte en het vuur
zich ontstak en de muren zich warmden
Sommige strofen uit de gedichten doen denken aan taferelen uit één of ander schilderij van Jeroen Bosch. (Een voorbeeld hiervan zijn de laatste twee strofen van het gedicht ‘Een nadag’.) De pijn die de dichter voelt zit verstopt tussen de regels. Naarmate je als lezer vordert in de bundel maakt deze pijn plaats voor liefdevolle herinneringen aan zijn vrouw. Gerrit Kouwenaar stopt deze herinneringen weg in zijn dichtbundel. Als lezer krijg je de kans om de pijn en het geluk van zijn liefde te lezen. ‘Totaal witte kamer’ is een prachtig staaltje poëzie die zeker en vast de Karel Van de Woestijneprijs heeft verdiend.
Moeilijk gaat ook

‘Moeilijk gaat ook’ moet Gerrit Kouwenaar gedacht hebben bij het schrijven van de bundel Totaal witte kamer. En ik heb het hier niet over de campagne van Open VLD. De bundel bevat namelijk enkele gedichten die op een zodanig gecompliceerde manier geformuleerd zijn, dat ze je doen denken aan de Belgische grondwet.
Om dit even te illustreren, gebruik ik het gedicht parkwandeling dat op pagina 27 staat.
parkwandeling
Zo betrapt men de jaren, levensloop, ademnood, voet
stap na voetstap, verloren, ontlopen
grind dat men kust met zijn zolen, kind
dat men struikelde, naliet, verstrikt in een foto
bomen die namen ontvlezen, maanzieke honden, sterf
grage vrijgeesten, braakplekken, wanhopen
ingangen uithekken die nergens op sluiten, wan
vrucht van vrijheid, ruiker van uitwas, uit
vlucht van doden-
Wel, zo betrap ik Kouwenaar op een onsamenhangende, saaie opsomming. Het is zelfs moeilijk om dit gedicht -als ik deze tekst al zo mag noemen- in één keer uit te lezen. Tegen het einde van de laatste strofe weet je bijgod niet meer waar de eerste zin om draait. En hoe kan men in hemelsnaam een kind struikelen. Voor zover ik altijd geleerd heb, kan je niet iemand struikelen. Dan stel ik me nog de vraag wat een uithek is. Ik vermoed dat Kouwenaar hiermee een uitgang bedoelt. Uitgang klinkt misschien minder poëtisch, maar is tenminste voor iedereen verstaanbaar. Hij probeert het gedicht dan nog wat te verbloemen door een vorm van enjambement. Dit ervaar ik eerder als storend en hierdoor wordt het nóg ingewikkelder. De enige mooie zin in dit samenraapsel van woorden is ‘grind dat men kust met zijn zolen’. Hieruit begrijp ik dat iemand zachtjes over een grindpad wandelt. De auteur kan dan toch op een eenvoudige manier iets moois zeggen. Spijtig genoeg is de rest van dit gedicht nonsens, net zoals 90% van de gedichten die in Totaal witte kamer zijn opgenomen.
Ook de cover van de bundel nodigt niet echt uit tot lezen. De volledig zwarte kaft met als enige lichtpuntje een wit vierkant is niet meteen een creatief hoogstandje te noemen. Je kan dit natuurlijk makkelijk verklaren als je weet waarom deze bundel geschreven is. Kouwenaar pende deze gedichten namelijk neer naar aanleiding van de dood van zijn vrouw. Dit was ongetwijfeld een tragische gebeurtenis voor hem en voor een dichter is het dan ook vanzelfsprekend dat hij dit overlijden via poëzie probeert te verwerken. Als je deze achtergrondinformatie weet, is het makkelijker om de gedichten te begrijpen. Dit maakt ze daarom niet minder ingewikkeld. Nu kunnen we ook de cover van het boek even ontleden. Een volledig zwarte kaft, het kleur van de rouw, met daarin de witte kamer waar het lichaam van zijn vrouw enkele dagen bewaard werd. Ik ben echter van mening dat een lezer niet op de hoogte moet zijn van het persoonlijk leven van een auteur als hij een dichtbundel wil lezen. Een goed gedicht kan op zichzelf bestaan en moet duidelijk zijn. En hieraan voldoen de gedichten van Kouwenaar niet. Hij had misschien wel een inleiding kunnen schrijven in de bundel. Dit zou zeker helpen om de gedichten of toch tenminste de situatie die aan de gedichten voorafging te verklaren. De bundel wordt dan ook op zijn beurt toegankelijker.
Zoals ik al eerder zei, vind ik 90% van de gedichten in Totaal witte kamer klare nonsens. Dan blijft er nog altijd 10% over die ik wel weet te smaken. Op pagina 24 vind je bijvoorbeeld dit gedicht:
4
Men kijkt naar binnen in een vertrek
men schrijft een vrouw die een kous aantrekt
de nylonkous bevingert haar huid
trekt zij hem aan of trekt zij hem uit
trekt zij hem uit of trekt zij hem aan:
de kunst is op het punt van ontstaan-
Dit is een kort gedicht dat rijmt. Tijdens het lezen heb je ongetwijfeld het ritme van de verzen gevoeld. Het is ook duidelijk waarover het gaat. Kouwenaar kan blijkbaar toch een mooi, eenvoudig gedicht schrijven over een banaal iets. Spijtig genoeg bevat de bundel niet meer van deze dichtwerkjes.
Een rode draad doorheen zijn werk is het gebruik van het onbeduidende ‘men’. Onder dit woordje kan je heel wat verstaan: zijn vrouw, de mensheid, de pers …? In Totaal witte kamer bedoelt hij met ‘men’ zichzelf. Hij probeert op deze manier zijn eigen gevoelens te veralgemenen, wat ervoor zorgt dat de gedichten heel wat koeler en afstandelijker overkomen. Dit is wel een originele benadering van het thema ‘de dood’. In de meeste poëzie probeert men de mensen juist de emotionele intensiteit die iemand doormaakt tijdens het rouwproces duidelijk te maken.
Die twee laatst genoemde pluspunten wegen echter niet op tegen de 90% onduidelijke, moeilijke gedichten. Wie na het lezen van deze recensie toch nog nieuwsgierig is naar de bundel kan ik het best aanraden eerst een biografie van Gerrit Kouwenaar te lezen. Het is ook handig dat je Totaal witte kamer leest op een moment van uiterste concentratie, want anders zal je het bundeltje al gauw opzij leggen en naar een hapklare VTM-soap grijpen.
Een totaal witte kamer, gevuld met een warme gloed van liefde
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song…”
Zo zet W H Auden op papier wat iemand voor een persoon kan voelen. Je beseft vaak pas te laat wat iemand voor je betekend heeft. Wanneer je het volledige gedicht leest, merk je het verdriet.
Gerrit Kouwenaar doet het op zijn eigen manier, maar weet de lezer met veel van zijn rauwe gedichten ook kippenvel te bezorgen.
Bij het bekijken van de eerder koele kaft, verwacht je niet dat er vanbinnen zoveel warmte zit. Het zwarte geeft een doodse indruk, de witte en blauwe letters maken het geheel koud.
Wanneer je de bundel openslaat, krijg je een gloed van menselijk, warm verdriet over je.
De dichter toont aan de lezer dat hij nog steeds rouwt om de dood van zijn geliefde vrouw, maar hij lijkt haar heengaan toch aanvaard te hebben. Een nadag, het eerste gedicht uit de bundel, geeft toch die indruk.
In de eerste reeks, met de toepasselijke naam een glas om te breken, probeert Kouwenaar de stilte te doorbreken. Hij doet dit door via herinneringen en gedachten te praten met of over zijn vrouw. De gedichten gaan over hun jonge, onbezorgde leven, waarvan hij weet dat ze nooit nog terug komen.
Kouwenaar heeft duidelijk heel wat denkwerk in de bundel gestopt. Na het eerste deel over de vrolijke jeugd, komen de vragen. Vragen die steeds weer beginnen met ‘waarom’.
Het leven zal zijn gang blijven gaan, alles zal doorgaan. Toch is er ruimte voor een moment waar de wereld van de dichter stilstaat.
“…straks komt de kievit
het vee staat al buiten in ruigere vachten
een eendere hemel hangt lager, de zee is een vijver
maar voor wie gist de inmaak onterfd in de kelder
zal niets ons ontbreken staat er geschreven
in de verte naderen beneveld de steden”
Het laatste deel van de bundel draagt ook de titel met zich mee: totaal witte kamer.
Dit is een deel vol sombere, maar toch mooie en aangrijpende gedichten. Hier staat het rouwproces centraal. Iedereen die ooit al een geliefde heeft verloren, kan er een deel van zichzelf in herkennen.
Naast de drie delen van de bundel, valt je als lezer zeker nog een ander aspect op. Kouwenaar schrijft zeer ‘visueel’.
Je kan als lezer als het ware voor je ogen zien wat er gebeurt.
Een eerste iets wat zeer vaak terugkomt is het contrast tussen zwart en wit. Het zwart van de dood en het verdriet staat tegenover het wit van de hoop, het leven dat verder gaat na het verlies.
Het lijfelijke is ook pertinent aanwezig in deze bundel.
Het vlees sterft langzaam af. De dood gaat op zoek naar de laatste restjes die het nog kan vinden om de honger te stillen.
“Eter komt eindelijk eten, het vlees is je lievelingseten”
Dit is geen bundel om in een keer snel door te nemen. De lezer moet alles kunnen verwerken.
Enkele gedichten moet opnieuw en opnieuw worden gelezen, met voldoende tussentijd.
In deze haastige wereld, vind je een werk waar tijd er uiteindelijk niet meer toe doet.
Je laat dit werk langzaam, maar zeker tot je doordringen.
Totaal witte kamer, met een oh zo warme gloed.
'k wil niet alleen.
Ik Wil niet dat je weggaat.
Ik wil niet dat je weggaat.
'k Wil niet alleen.
Ik wil niet dat je weggaat.
Zo luidde het bij Clouseau. Bij Gerrit Kouwenaar luidt het: Totaal witte kamer. Een rauwe bundel met een teder randje.
Meteen al bij de aanblik van de cover krijg je een doods, maar toch vredig gevoel. Een zwarte cover met strak afgemeten letters, het lijkt wel een metafoor voor een lichaam in een doodskist.
Een sombere cover met koude blauwe en witte letters, dat moet haast donkere gedichten opleveren denk je dan. Niets is echter minder waar.
Kouwenaar brengt zijn verdriet menselijk, op de man af, maar toch ook zacht en warm.
Wat vaststaat is dat de dichter zijn verlies aanvaard lijkt te hebben. Dat kan je toch afleiden uit de eerste strofe van een nadag, het eerste gedicht uit de bundel.
Daarnaast maakt Kouwenaar de lezer ook duidelijk dat iedereen wel eens met een overlijden te maken krijgt. In een nadag gebruikt hij pertinent het woord men en niet het woord ik.
Kouwenaar doet echter veel meer. In dit gedicht stopt hij al meteen het motief van (ont)slapen, sterven. Iets wat doorheen de bundel vaak terugkeert.
Verder roept de auteur ook een kille sfeer op in het gedicht, waarmee hij naar de kilte van een huis of een lijk lijkt te verwijzen. Meteen daarna haalt hij het beeld van vuur dat de muren warmt aan, want vuur overwint de kilte en daardoor gaat het leven door.
De dichter heeft duidelijk nagedacht over deze bundel. Naast het motief van het slapen, zijn er in de bundel nog wel wat motieven die nadrukkelijk aanwezig zijn.
Een eerste daarbij is vlees, dat ook een prominente rol speelt in zijn gedichten. Misschien wil hij daarmee nog eens de nadruk leggen op het vleselijke van het lichaam. Als je deze interpretatie aan dit motief geeft, dan kom je meteen ook tot de vaststelling dat enkel het vleselijke sterft, waarmee de auteur dan wil zeggen dat het niet stopt bij de dood.
Wat ook vaak terugkomt is het contrast tussen zwart en wit. Zwart lijkt hier dan symbool te staan voor de dood, uiteraard, maar ook voor de onmacht en het verdriet die ermee gepaard gaan. Het wit verwijst op zijn beurt naar het leven en het verdergaan na een verlies.
Het mooiste voorbeeld van dit witte is terug te vinden in het titelgedicht, waarin de auteur de wens uitdrukt om nog één keer één geheel te vormen met zijn geliefde. Deze totaal witte kamer kan verwijzen naar een huis in een zuiders land, misschien wel het huis waar de jij uit het gedicht overleden is aan een slepende ziekte.
Ik sprak in het begin al over de lay-out van de cover die zo strak en afgemeten lijkt, maar deze lijn trekt zich door in de bundel zelf. De opmaak van ieder afzonderlijk gedicht is uniform en geeft ook een strakke, afgemeten indruk.
Daarnaast krijgt iedere tussentitel, als je wil, dezelfde kille blauwe kleur als het blauw op de cover. Net wanneer je als lezer weer wat warme hebt gekregen door de oprechtheid van Kouwenaars gedichten, wordt je weer met je neus op de feiten gedrukt. Alsof de auteur wil duidelijk maken dat het nog niet gedaan is, dat het nog verder gaat.
Met deze bundel probeert Kouwenaar overduidelijk het verlies van een geliefde een plaats te geven in zijn leven. Iets wat hem aanvankelijk veel moeite lijkt te kosten, maar waar hij uiteindelijk toch in slaagt.
Nog voor de inhoudsopgave van het boek staat: voor Paula.
Paula is Kouwenaars overleden vrouw.
Als deze bundel ons iets leert, naast het feit dat Kouwenaar een meester is in zijn vak, dan is het wel dit: liefde bestaat!
De tweesprong der contrasten
In de eerste reeks gedichten, die de toepasselijke naam ‘een glas om te breken’ kreeg, probeert Kouwenaar de stilte te doorbreken door te praten met/over zijn overleden dierbare via zijn herinneringen en gedachten. In het gedicht ‘Toen wij nog jong waren’ schrijft Kouwenaar over hun jonge en avontuurlijke leven, hun passie voor reizen én over de tijd dat ze via hun liefde alles aankonden. Toch blijft Kouwenaar opvallend realistisch, hij weet dat deze mooie tijd nooit meer zal terugkeren.
Toen wij nog jong waren en de wereld nog oud was
en wij in een ver land op hoge bergen stonden
en dat in het dal diep beneden een lange roerloze
roestige trein zagen, onbestaanbaar alleen
in het oog van een hevige leegte, riep jij
terwijl je de hemel een kushand toewierp
ik ben een reisgids kinderen
leer mij lezen
…
nu is het dus later, een avond na jaren, de dood
stille trein is vertrokken, de tijd van het lot
is verstreken, je reisgids ligt open
onder eendere oudere bomen drink ik
de hese stem van je woorden, hoor ik je stilte-
In het tweede luik, ‘Tussentijd’, voel ik heel wat vragen opkomen. Vragen van woede, vragen van angst, vragen waarvan het antwoord nooit zal gevonden worden. ‘Waarom moet ons dit overkomen?’, ‘waarom wordt onze liefde getest?, ‘waarom wordt er met onze gevoelens gespeeld?’… Alle simpele dingen des levens zullen altijd blijven voortduren, seizoenen komen en gaan, de donkere winter wordt een frisse lente, maar aan hun speciale en unieke liefde komt een eind. Hun weg der liefde wordt een tweesprong waarbij ze elk een verschillende weg moeten nemen en waarvan de wegen nooit meer samen komen. Voor Kouwenaar zal niets ooit nog hetzelfde zijn, alles blijft stilstaan, alles zal zwart blijven, met alleen de ‘witte’ herinneringen die hem zullen steunen en bijstaan in de verdere toekomst. Voor Kouwenaar en zijn vrouw staat alles stil, maar rondom hen blijft de tijd gewoon verdergaan, wat ook heel mooi beschreven wordt in het gedicht ‘Pad van water’.
Zoals de tijd, eenzamer, een oude vriend begroet
zo liefkoost de wind hier laagland en water
achter de dijk schept vrede nog adem, wegen
die er vroeger niet waren haasten zich langzaam
in het huis roest de kiek van het gouden bruidspaar
ritselt de fax, trilt de wijn in het melkglas
op het erf wuift de meikers haar kleumende handjes
het is weer eens voorjaar, straks komt de kievit
het vee staat al buiten in ruigere vachten
een eendere hemel hangt lager, de zee is een vijver
maar voor wie gist de inmaak onterfd in de kelder
zal niets ons ontbreken staat er geschreven
in de verte naderen beneveld de steden -
Dan komen we bij het laatste, en meest aangrijpende deel van de dichtbundel. In dit deel, wat net zoals de hoofdtitel ‘totaal witte kamer’ heet, neemt Kouwenaar je mee naar zijn eigen rouwproces. In deze gedichten staan tijd en stilte opnieuw centraal. De gedichten zijn grauw en somber, maar Kouwenaar slaagt er in om alles heel helder en mooi naar voor te brengen, zodat je er als het ware echt bij bent en voelt wat hij voelt. In ‘niet geschreven’ behandelt Kouwenaar de doodse stilte die zijn huis binnendringt en die voor altijd zijn stempel heeft nagelaten, ookal weigert hij om aan deze kilte en stilte toe te geven: ‘dat kan niet waar zijn, niet gezegd, niet gehoord, niet geschreven’.
Dat je door het huis loopt
in mijn donker prevelt, je stilte inspreekt
in mij aflegt, opeet, nee
dat kan niet waar zijn, niet gezegd
niet gehoord niet geschreven
je bent zo volledig alom afwezig, zozeer
in verhangen kleren onteeuwigd
dat je koude voeten mijn passen inhouden
op de verbruikte stilstaande treden
van de weerloze trap naar beneden:
eter komt eindelijk eten, het vlees
is je lievelingseten, het glas
vult de tijd, het brood
blijft de honger, het enige
Kouwenaar maakt in deze dichtbundel vaak gebruik van herhalingen. Zo komt het woord ‘vlees’ in heel wat gedichten terug. ‘Eter komt eindelijk eten, het vlees is je lievelingseten’, via deze woordspeling verwijst Kouwenaar naar de dood, die op zoek is naar restjes die hij naar binnen kan schrokken. Ook de kleuren wit en zwart komen vaak terug. ‘Zwart is in de mode’, ‘Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken, nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik’. Alles rond Kouwenaar voelt zwart aan (rouwen, de dood), maar toch probeert hij zichzelf op te krikken door te denken aan alle mooie herinneringen, die dan weer worden voorgesteld via een witte kleur. De titel ‘totaal witte kamer’ verwijst dus naar de wens van Kouwenaar om alle herinneringen aan zijn echtgenote te behouden en om hun liefde voor altijd te koesteren: ‘dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven, witter dan, samen’. Het raken van gevoelens en er voor zorgen dat emoties oplaaien is het absolute hoofddoel van een dichter en hier slaagt Kouwenaar voor de volle 100% in! Wij willen meer!