maandag 4 oktober 2010

Mino Taurus

Odysseus ging op de grond zitten, met z'n rug tegen de muur. De regen plensde in z'n gezicht en maakte z'n kleren drijfnat. Soms kon hij genieten van een stortbui, maar vandaag had hij er echt geen zin in. De koptelefoon op z'n hoofd was drie minuten geleden gestopt met muziek spelen. De batterij van mijn iPod zal wel weer leeg zijn, dacht Odysseus. Dat was de schuld van z'n zus. Ze gebruikte ook altijd z'n materiaal.
Hij was moe en gefrustreerd, maar toch opgewonden. Hij was vermoeid door z'n lange tocht naar het labyrint. Gefrustreerd omdat hij de weg niet terug vond in dit verdomde labyrint. Maar opgewonden omdat ze in het midden van het labyrint stond: Mino Taurus. Odysseus had geen flauw idee wie ze was. Maar zij zag hem wel zitten. Althans, dat dacht Odysseus toch. Het was ook allemaal zo vreemd. Precies twee dagen geleden had hij nog nooit van Mino Taurus gehoord. Totdat Odysseus het briefje op het zadel van z'n splinternieuwe Pegasus vond. Kom overmorgen naar het labyrint om drie uur, Mino Taurus, X, stond er geschreven in een krullerig meisjesgeschrift. Odysseus was meteen aangesproken door het mysterieuze ervan. Wie schreef tegenwoordig nog briefjes? Om te beginnen had ze een groot risico genomen. De kans dat Odysseus briefjes kon lezen na een avond poolen in het jeugdhuis, was relatief klein. Dat lag natuurlijk niet aan Odysseus zelf, maar aan z'n vriend die constant een nieuwe pils voor z'n neus zette.
Daarnaast had ze ook een groot risico genomen om een blauwtje te lopen. Want de kans dat Odysseus op het voorstel inging, was eerder gering. Alhoewel, blijkbaar kende ze Odysseus toch een beetje, want dergelijke mysteries zou hij nooit uit de weg gaan. Maar als zij hem kende, kende hij haar misschien ook. Hoewel, Odysseus was een geliefd persoon met een alom gekende, goeie reputatie. Er kenden heel wat mensen Odysseus, maar Odysseus kende lang niet al die mensen.
Odysseus begon zich stilaan af te vragen of het wel zo'n goed idee was om naar het labyrint te komen. Nu zat hij hier, doorweekt, op zoek naar een meisje dat er misschien niet eens was. Wie weet was het wel een meisje? Wie weet was het gewoon een jongen met een verwijfd handschrift. Of een lelijk meisje. Dat kon ook nog. Odysseus werd er steeds minder en minder gerust op. Zou hij niet gewoon rechtsomkeer maken? Was die Mino Taurus echt de moeite waard?

En toen was je weg

Sif voelde hoe een koude rilling over haar rug liep toen ze het blaadje die ochtend van de kalender scheurde. De datum die ze voor haar ogen zag opdoemen, liet haar benen trillen, zorgde ervoor dat het angstzweet haar uitbrak en wekte tranen op die over haar zachtroze wangen rolden. Het was vandaag 29 september, het was exact twee jaar geleden dat haar man betrokken was geraakt in een verkeersongeval.

Ze had Thor die dag op zijn kantoor gebeld met de vraag of hij nog langs de bakker kon passeren. Sif was het zelf glad vergeten om brood te halen toen ze van het ziekenhuis naar huis reed. Haar gedachten dwaalden steeds af naar de laatste bevalling van haar werkdag. Deze was uiterst moeizaam verlopen, het kindje lag in een stuithouding en de navelstreng was rond haar nekje gedraaid. De kans was reëel dat het pasgeboren meisje het einde van de dag niet zou halen. In gedachten verzonken was ze de bakker voorbijgereden, maar gelukkig had Thor later gedaan met werken.

Een paar uur later stond de politie voor hun deur. Ze hadden een spijtige mededeling, zeiden ze. De twee jonge agenten vertelden het op een toon alsof het een alledaags iets was, alsof haar man, de liefde van haar leven, elke dag uit haar leven verdween. Sifs wereld stortte in één klap in en huilend zeeg ze in de deuropening ineen. Wat er de daaropvolgende dagen was gebeurd, was voor haar een grote waas, het leek wel alsof iemand anders de controle over haar lichaam had overgenomen. Op de dag van de begrafenis zat ze er wezenloos bij, maar toen ze 's avonds alleen in hun huis was aangekomen, maakten de emoties zich over haar meester. De tranen welden op en hielden de hele nacht lang niet op met stromen.

Het tragische ongeval mag dan wel twee jaar geleden gebeurd zijn, toch werd ze nog elke dag met haar overleden echtgenoot geconfronteerd. Enerzijds voelde het vertrouwd aan om Thor rond zich te voelen, maar anderzijds wilde ze de draad van haar leven opnieuw oppikken. Ze had lang genoeg ter plaatse blijven trappelen, vond ze, maar vooruit gaan kon ze niet in dit huis, in deze stad, in dit land, waar alles haar aan Thor deed herinneren.

Ze opende haar laptop en ging op zoek naar de eerstvolgende vluchten richting het buitenland. Ze wilde hier zo snel mogelijk weg, alleen wist ze niet waarheen...

In gedachten

Hoe ik daar lag, was mijn lijf enkel een zielloos ding. Geen staat van zijn, maar een object, of soms slechts een hulpstuk. Ik had nooit kunnen denken dat net ik in staat was om mijn psyché los te koppelen van datgene wat puur aards was. Ik nam mezelf mee in het diepst van mijn gedachten waar ik vrij was van de kokende basten die zich op mijn lichaam stortten.

Vaak hadden ze het niet door dat ik wezenlijk afwezig was. Onweerstaanbare driften hadden hen wolken in hun hoofd gegeven, waardoor hun wereld een verstoorde afdruk was van de echte. Ik was echter niet meer dan een omhulsel waarvoor ik betaald werd. Vele mannen hebben mij meermaals bezocht en iedere blik verborg hetzelfde verlangen. Mijn lijf mochten ze hebben, maar mijn hoofd bleef als een kelder, diep weggestopt in de onderste lagen van een huis. Sommigen hadden naar me gekeken alsof ze me wilden opeten. Likkebaardend scheurden ze de kleren van mijn lijf, alsof ze een reep chocolade van zijn nutteloze verpakking ontdeden. Smeulend keken ze me aan en smeekten me: Arrina, breng me naar de zevende hemel. Anderen beweerden mij te redden van mezelf, maar hun lusten kregen telkens de bovenhand. Het liefdesspel was echter niet meer dan afstompend bandwerk, waar ik verzonken in gedachten mijn eigen spel speelde. Hoe ironisch dat net deze fysieke arbeid mij de toegang verschafte tot de hemel in mijn hoofd, waar ik liefde denken kon. Waar ik in mijn hersenspinsels Eshtan ontmoette. Zijn blik herborg een lieflijk begeren waar ik voorheen geen notie van had. Hij en ik, versmolten tot één gevoel, tot één gedachte, tot één zijn … En op dat moment gloeide mijn universum en regende het sterren. Wat was de wereld opeens wondermooi.

Ik verlangde naar niets anders dan naar hem, want hij was als een drug. De nazinderende roes kon de realiteit echter niet blijvend wegbannen. Hoe hard ik ook probeerde, geen enkele man kon mij zo beroeren dat hij bleef kleven in mijn herinnering. Alleen Eshtan. Alleen al bij het fluisteren van zijn naam zinderde mijn hart.

Maar ik verlang naar het onbereikbare, want Eshtan is niet meer dan een schepping van mijn verwarde geest. Oh, hoe hunker ik ernaar om eeuwig verdoofd te zijn voor mijn bestaan. Ik wil niet langer liefde denken, mijn lieve Eshtan. Zou ik …

Voetsporen

In de kille ochtend prikte de zilte geur van het zeewater in haar neus. De lichte ochtendnevel zorgde ervoor dat haar de adem ontnomen werd, ze had het gevoel alsof er een zwaar gewicht op haar borstkas lag. De donkere nacht werd langzaam verdreven door de opkomst van de roodroze zonnegloed.
Op elke andere dag had ze hiervan ontzettend kunnen genieten, maar vandaag kon niets van al dat schoons haar deren. Ophelie keek haar broer aan die stond te wachten op de Oostendse kaai. De wind blies haar in de ogen, maar dat was helaas niet de enige reden waarom de tranen over haar wangen liepen. Een maand geleden had haar broer plots besloten zijn geluk te gaan beproeven in Amerika. Hun beide ouders waren gestorven dus restte er hem hier niets meer en financieel ging het er hier ook niet zo goed aan toe. Ophelie was kwaad geworden dat hij er zo over dacht. Ze hadden immers elkaar nog en zonder hem zou ze helemaal alleen zijn. Eigenlijk wou ze met hem meegaan, maar ze hield erg van haar vertrouwde omgeving. Ze had hier immers de zekerheid van werk te hebben, in Amerika zou ze een totaal nieuw bestaan moeten opbouwen en ze wist niet of ze hiervoor wel stevig genoeg in haar schoenen zou staan. Daarnaast had haar vijf jaar oudere broer het zijn ‘kleine’ zus verboden om mee te gaan. Hij ging immers naar Amerika om haar ook geld te kunnen opsturen, zodat ze het iets breder zou hebben. Odyseus had van vele kameraden gehoord dat er fortuinen te verdienen waren in Amerika, als je tenminste de juiste connecties had. Een schreeuwende meeuw kwam akelig laag overgevlogen toen ze naar Odyseus toeliep. Ze namen elkaar voor een laatste keer vast toen hij de loopplank van de Eagle opliep.

Meteen toen hij aan boord kwam viel er een gevoel van trots over hem en tegelijkertijd voelde hij de onzekerheid die ervoor zorgde dat zijn maag ineenkromp en hij het gevoel kreeg alsof zijn adem werd afgesneden. De Eagle was één van de eerste zeilschepen die ook voorzien was van motor waarmee op stoom werd gevaren bij windstilte. Het was voor Odyseus de eerste keer dat hij op zo’n schip meezeilde. In 1820 kwamen dit soort schepen immers nog niet zoveel voor. Hij was al vele keren mee geweest op zee, maar meestal voor korte reizen met een zeilschip. De streep die hij nu trok was onverbiddelijk, zijn oude leven liet hij achter zich en een stap in het onbekende werd gedaan. De matrozen gooiden de trossen los en het schip kwam los van de kade. Hij bleef zijn zus aankijken, ze zwaaiden naar elkaar en zij bleef nog een heel eind meelopen langs de kade tot het schip de haven uit was. Ophelie bleef op het einde van het staketsel staan tot het schip bijna een puntje was geworden aan de horizon.

Eenmaal op zee zocht hij zijn hut op, uit zijn plunjezak haalde hij een aantal spullen waarvan hij niet wou dat ze nat werden. Hij greep in de zak en plots voelde hij een stukje papier. Het was een foto die hun ouders genomen hadden van hem en zijn zus toen zij veertien was. Ze hadden er maar twee exemplaren van, want een foto laten maken was een dure aangelegenheid. Hij bekeek de foto en de knoop in zijn maag werd nog wat strakker aangespannen. Zou hij haar ooit nog terug zien?Er werd bruusk op de deur geklopt en een potige kerel van rond de 20 kwam binnen. “Matroos Synnaeve, de kapitein wenst u te spreken." Zei hij op een barse toon.

Het geheim van A.

Het was vroeg in de ochtend. De dauwdruppels hingen als belletjes aan de grassprietjes en de eerste zonnestralen wrongen zich een weg door de dichte mist. De vogels floten vrolijke deuntjes. Het beloofde alweer een warme dag te worden.

Aphrodite was al wakker, want ze moest om acht uur haar vliegtuig halen. Haastig kleedde ze zich aan en repte zich naar het ontbijt dat haar moeder voor haar had klaargemaakt. Ze keek nog eens vlug of ze alles goed had opgeborgen in haar koffers, gaf haar moeder een zoen en bracht toen alles naar de auto. Haar vader zat al achter het stuur te wachten. “Veel succes!”, riep haar moeder haar nog na. Een paar uur later stonden ze op de luchthaven. “Oef, net op tijd!” dacht Aphrodite bij zichzelf. Vlug nam ze afscheid van haar vader en strompelde met al haar koffers naar binnen. De koffers wogen net niet te veel en binnen de minuut stond ze al bij de douanecontrole. Eenmaal door de controle heen was het zoeken naar de juiste gate. Gelukkig was het niet ver lopen. “Een koffie zou mij wel deugd doen”, mompelde Aphrodite. Terwijl ze aanschoof zag ze dat er bij de incheckbalie al heel wat mensen stonden te wachten op de vlucht naar Athene. Met de koffie in haar hand zeulde Aphrodite haar ene koffer naar de rij wachtende passagiers. Terwijl ze van haar koffie nipte, keek ze om zich heen. Plots zag ze in de rij ‘Priority’ een jongen staan die, net als haar, alleen naar Athene ging. Het was alsof hij wist dat Aphrodite naar hem keek, want hij draaide zich plots om en hun ogen kruisten elkaar. Vlug wendde ze haar blik van hem af en keek naar haar koffie die nog half vol was. Ze gluurde voorzichtig naar hem en zag dat hij haar bleef aankijken. Aphrodite wist zichzelf geen houding te geven en was blij dat de gate niet veel later openging. Toen ze opkeek was hij al door de gate naar het vliegtuig aan het wandelen. Aphrodite zag dat hij mankte. “Die ene koffer is vast heel zwaar”, dacht ze bij zichzelf.

Op het vliegtuig was het zoeken naar een plaatsje. Omdat ze op een na laatste was, kon ze niet meer kiezen waar te zitten. De stewardess bood haar een plaatsje aan vlak achter de vleugel. Ze stopte haar handbagage in de kofferruimte en nam plaats op haar stoel.
“Hallo”, zei een warme en vriendelijke stem. Ze schrok op en keek opzij. Ze zat naast de jongen met het manke been. “Ik ben Achilles”, zei de jongen. “O hallo, ik ben Aphrodite”, zei ze. “Aphrodite”, mompelde Achilles, “Heb je ooit al eens gevlogen?” “Neen, het is de eerste keer”, zei Aphrodite. Haar stem trilde een beetje en ze kon haar gordel maar niet in elkaar klikken. “Wacht, laat mij je helpen”, zei Achilles en zonder op antwoord te wachten boog hij zich over haar heen en klikte haar gordel vast. “Hmmm, wat ruikt hij lekker”, dacht Aphrodite.

zaterdag 2 oktober 2010

Ik zag je op de trein


"Morgen, morgen zal ik gaan." Irene kan al weken niet slapen. Iedere nacht opnieuw denkt ze aan die knappe man die ze tegen het lijf gelopen was op de trein. Vorige week ontdekte ze dat hij een succesvolle ingenieur is bij het grootste bouwbedrijf in de buurt. Sindsdien twijfelt ze of ze naar het bedrijf zou stappen om hem mee uit te vragen. Normaal gezien is ze niet zo verlegen, maar het feit dat ze nog niet weet hoe hij heet, houdt haar enigszins tegen. Ook is ze wat nerveus omdat ze niet weet op welke manier ze hem moet benaderen. Je openingszin kan toch moeilijk 'Ik zag je op de trein' zijn? De ongewone situatie maakt haar enorm onzeker. Alle andere jongens waarmee ze uitging, had ze leren kennen in een café, onder vrienden. Er was altijd wel iemand die de ander kende.

Het lijkt weer een slapeloze nacht te worden voor Irene, ze blijft maar piekeren.
"Als ik morgen niet ga, geef ik het beter op. Zo kan het niet verder. Weken na elkaar niet slapen, dat maakt je kregelig. En als er iets is waar ik zelf niet tegen kan, dan is het een persoon die kort aangebonden is. Alleen als je uitgeslapen bent, kun je vriendelijk zijn en elkaar op een zachte manier benaderen. Het wordt tijd dat ik weer eens een oogje dichtdoe. Pas dan kan ik op die knappe man afstappen. Stel je voor dat ik hem afsnauw, enkel en alleen omdat ik niet goed geslapen heb... Nee, misschien volg ik beter eerst een slaapkuur. Daarna stap ik op hem af. Niet morgen. Ondertussen kan ik misschien eerst proberen zijn naam te weten te komen."


's Anderendaags neemt Irene zoals gewoonlijk de trein van zeventien na zes. Ze ziet haar knappe man opstappen. Haar hart gaat sneller slaan als ze ziet dat hij in haar coupé komt zitten. Ze weet niet goed hoe zich te gedragen en neemt er vlug haar roddelblaadje bij, op de horoscooppagina. Ze wordt vuurrood als ze merkt dat ze het blad ondersteboven vast heeft.
"Gelukkig heeft hij het niet gezien. Man, wat een roddeltantes kunnen mannen toch zijn. Dan durven ze iets te zeggen van ons, vrouwen."

Midas heeft inderdaad niet opgemerkt dat Irene haar blaadje verkeerd vasthield. Hij is te druk in gesprek met zijn collega over het nieuwe project dat ze net in de wacht gesleept hebben en gunt de vrouw in zijn coupé geen blik waardig. Het gesprek is bij het opstappen van de trein overgegaan in het keuren van de vrouwelijke bedienden op de eerste verdieping van het bedrijf. Midas lacht met de grapjes van zijn collega, terwijl hij zijn notitieboekje te voorschijn haalt. De kaft van het boekje lijkt wel van massief goud. Of is dat maar schijn en ligt het aan Midas' uitstraling? Nee. Ook het bijhorende potloodje schittert in het voorbijflitsende schijnsel van de lantaarnpalen.
Irene kijkt ernaar en betrapt zichzelf op overmatig staren. Snel doet ze weer alsof ze haar horoscoop leest.