vrijdag 1 mei 2009

Een totaal witte kamer, gevuld met een warme gloed van liefde

“He was my North, my South, my East and West,
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song…”


Zo zet W H Auden op papier wat iemand voor een persoon kan voelen. Je beseft vaak pas te laat wat iemand voor je betekend heeft. Wanneer je het volledige gedicht leest, merk je het verdriet.
Gerrit Kouwenaar doet het op zijn eigen manier, maar weet de lezer met veel van zijn rauwe gedichten ook kippenvel te bezorgen.

Bij het bekijken van de eerder koele kaft, verwacht je niet dat er vanbinnen zoveel warmte zit. Het zwarte geeft een doodse indruk, de witte en blauwe letters maken het geheel koud.
Wanneer je de bundel openslaat, krijg je een gloed van menselijk, warm verdriet over je.

De dichter toont aan de lezer dat hij nog steeds rouwt om de dood van zijn geliefde vrouw, maar hij lijkt haar heengaan toch aanvaard te hebben. Een nadag, het eerste gedicht uit de bundel, geeft toch die indruk.

In de eerste reeks, met de toepasselijke naam een glas om te breken, probeert Kouwenaar de stilte te doorbreken. Hij doet dit door via herinneringen en gedachten te praten met of over zijn vrouw. De gedichten gaan over hun jonge, onbezorgde leven, waarvan hij weet dat ze nooit nog terug komen.

Kouwenaar heeft duidelijk heel wat denkwerk in de bundel gestopt. Na het eerste deel over de vrolijke jeugd, komen de vragen. Vragen die steeds weer beginnen met ‘waarom’.
Het leven zal zijn gang blijven gaan, alles zal doorgaan. Toch is er ruimte voor een moment waar de wereld van de dichter stilstaat.
“…straks komt de kievit
het vee staat al buiten in ruigere vachten
een eendere hemel hangt lager, de zee is een vijver
maar voor wie gist de inmaak onterfd in de kelder
zal niets ons ontbreken staat er geschreven
in de verte naderen beneveld de steden”

Het laatste deel van de bundel draagt ook de titel met zich mee: totaal witte kamer.
Dit is een deel vol sombere, maar toch mooie en aangrijpende gedichten. Hier staat het rouwproces centraal. Iedereen die ooit al een geliefde heeft verloren, kan er een deel van zichzelf in herkennen.

Naast de drie delen van de bundel, valt je als lezer zeker nog een ander aspect op. Kouwenaar schrijft zeer ‘visueel’.
Je kan als lezer als het ware voor je ogen zien wat er gebeurt.

Een eerste iets wat zeer vaak terugkomt is het contrast tussen zwart en wit. Het zwart van de dood en het verdriet staat tegenover het wit van de hoop, het leven dat verder gaat na het verlies.

Het lijfelijke is ook pertinent aanwezig in deze bundel.
Het vlees sterft langzaam af. De dood gaat op zoek naar de laatste restjes die het nog kan vinden om de honger te stillen.
“Eter komt eindelijk eten, het vlees is je lievelingseten”


Dit is geen bundel om in een keer snel door te nemen. De lezer moet alles kunnen verwerken.
Enkele gedichten moet opnieuw en opnieuw worden gelezen, met voldoende tussentijd.
In deze haastige wereld, vind je een werk waar tijd er uiteindelijk niet meer toe doet.
Je laat dit werk langzaam, maar zeker tot je doordringen.

Totaal witte kamer, met een oh zo warme gloed.

'k Wil niet dat je weggaat,
'k wil niet alleen.
Ik Wil niet dat je weggaat.
Ik wil niet dat je weggaat.
'k Wil niet alleen.
Ik wil niet dat je weggaat.


Zo luidde het bij Clouseau. Bij Gerrit Kouwenaar luidt het: Totaal witte kamer. Een rauwe bundel met een teder randje.

Meteen al bij de aanblik van de cover krijg je een doods, maar toch vredig gevoel. Een zwarte cover met strak afgemeten letters, het lijkt wel een metafoor voor een lichaam in een doodskist.
Een sombere cover met koude blauwe en witte letters, dat moet haast donkere gedichten opleveren denk je dan. Niets is echter minder waar.


Kouwenaar brengt zijn verdriet menselijk, op de man af, maar toch ook zacht en warm.
Wat vaststaat is dat de dichter zijn verlies aanvaard lijkt te hebben. Dat kan je toch afleiden uit de eerste strofe van een nadag, het eerste gedicht uit de bundel.


Daarnaast maakt Kouwenaar de lezer ook duidelijk dat iedereen wel eens met een overlijden te maken krijgt. In een nadag gebruikt hij pertinent het woord men en niet het woord ik.
Kouwenaar doet echter veel meer. In dit gedicht stopt hij al meteen het motief van (ont)slapen, sterven. Iets wat doorheen de bundel vaak terugkeert.


Verder roept de auteur ook een kille sfeer op in het gedicht, waarmee hij naar de kilte van een huis of een lijk lijkt te verwijzen. Meteen daarna haalt hij het beeld van vuur dat de muren warmt aan, want vuur overwint de kilte en daardoor gaat het leven door.

De dichter heeft duidelijk nagedacht over deze bundel. Naast het motief van het slapen, zijn er in de bundel nog wel wat motieven die nadrukkelijk aanwezig zijn.

Een eerste daarbij is vlees, dat ook een prominente rol speelt in zijn gedichten. Misschien wil hij daarmee nog eens de nadruk leggen op het vleselijke van het lichaam. Als je deze interpretatie aan dit motief geeft, dan kom je meteen ook tot de vaststelling dat enkel het vleselijke sterft, waarmee de auteur dan wil zeggen dat het niet stopt bij de dood.

Wat ook vaak terugkomt is het contrast tussen zwart en wit. Zwart lijkt hier dan symbool te staan voor de dood, uiteraard, maar ook voor de onmacht en het verdriet die ermee gepaard gaan. Het wit verwijst op zijn beurt naar het leven en het verdergaan na een verlies.

Het mooiste voorbeeld van dit witte is terug te vinden in het titelgedicht, waarin de auteur de wens uitdrukt om nog één keer één geheel te vormen met zijn geliefde. Deze totaal witte kamer kan verwijzen naar een huis in een zuiders land, misschien wel het huis waar de jij uit het gedicht overleden is aan een slepende ziekte.

Ik sprak in het begin al over de lay-out van de cover die zo strak en afgemeten lijkt, maar deze lijn trekt zich door in de bundel zelf. De opmaak van ieder afzonderlijk gedicht is uniform en geeft ook een strakke, afgemeten indruk.

Daarnaast krijgt iedere tussentitel, als je wil, dezelfde kille blauwe kleur als het blauw op de cover. Net wanneer je als lezer weer wat warme hebt gekregen door de oprechtheid van Kouwenaars gedichten, wordt je weer met je neus op de feiten gedrukt. Alsof de auteur wil duidelijk maken dat het nog niet gedaan is, dat het nog verder gaat.

Met deze bundel probeert Kouwenaar overduidelijk het verlies van een geliefde een plaats te geven in zijn leven. Iets wat hem aanvankelijk veel moeite lijkt te kosten, maar waar hij uiteindelijk toch in slaagt.

Nog voor de inhoudsopgave van het boek staat: voor Paula.
Paula is Kouwenaars overleden vrouw.


Als deze bundel ons iets leert, naast het feit dat Kouwenaar een meester is in zijn vak, dan is het wel dit: liefde bestaat!

De tweesprong der contrasten

‘Totaal witte kamer’ is de titel van het drieëndertigste literaire pareltje van Gerrit Kouwenaar. Kouwenaar kreeg voor zijn gedichten talrijke onderscheidingen, waaronder de P.C. Hooft-prijs in 1971 en de Prijs der Nederlandse Letteren in 1989. Ook de dichtbundel ‘Totaal witte kamer’ viel in de prijzen en verdiende in het jaar 2004 de Karel Van de Woestijneprijs. De overheersende emoties in dit drieluik zijn woede en verdriet. Verdriet om zijn eenzaamheid, verdriet om de stilte, maar vooral verdriet om zijn overleden vrouw Paula. ‘Totaal witte kamer’ is dus niet zomaar een dichtbundel, maar de verwerking van een rouwproces. Kouwenaar probeert alles van zich af te pennen in één moment, een moment waar je zelf ook even stil van wordt.
In de eerste reeks gedichten, die de toepasselijke naam ‘een glas om te breken’ kreeg, probeert Kouwenaar de stilte te doorbreken door te praten met/over zijn overleden dierbare via zijn herinneringen en gedachten. In het gedicht ‘Toen wij nog jong waren’ schrijft Kouwenaar over hun jonge en avontuurlijke leven, hun passie voor reizen én over de tijd dat ze via hun liefde alles aankonden. Toch blijft Kouwenaar opvallend realistisch, hij weet dat deze mooie tijd nooit meer zal terugkeren.

Toen wij nog jong waren en de wereld nog oud was
en wij in een ver land op hoge bergen stonden
en dat in het dal diep beneden een lange roerloze
roestige trein zagen, onbestaanbaar alleen
in het oog van een hevige leegte, riep jij
terwijl je de hemel een kushand toewierp
ik ben een reisgids kinderen
leer mij lezen

nu is het dus later, een avond na jaren, de dood
stille trein is vertrokken, de tijd van het lot
is verstreken, je reisgids ligt open
onder eendere oudere bomen drink ik
de hese stem van je woorden, hoor ik je stilte-


In het tweede luik, ‘Tussentijd’, voel ik heel wat vragen opkomen. Vragen van woede, vragen van angst, vragen waarvan het antwoord nooit zal gevonden worden. ‘Waarom moet ons dit overkomen?’, ‘waarom wordt onze liefde getest?, ‘waarom wordt er met onze gevoelens gespeeld?’… Alle simpele dingen des levens zullen altijd blijven voortduren, seizoenen komen en gaan, de donkere winter wordt een frisse lente, maar aan hun speciale en unieke liefde komt een eind. Hun weg der liefde wordt een tweesprong waarbij ze elk een verschillende weg moeten nemen en waarvan de wegen nooit meer samen komen. Voor Kouwenaar zal niets ooit nog hetzelfde zijn, alles blijft stilstaan, alles zal zwart blijven, met alleen de ‘witte’ herinneringen die hem zullen steunen en bijstaan in de verdere toekomst. Voor Kouwenaar en zijn vrouw staat alles stil, maar rondom hen blijft de tijd gewoon verdergaan, wat ook heel mooi beschreven wordt in het gedicht ‘Pad van water’.

Zoals de tijd, eenzamer, een oude vriend begroet
zo liefkoost de wind hier laagland en water
achter de dijk schept vrede nog adem, wegen
die er vroeger niet waren haasten zich langzaam
in het huis roest de kiek van het gouden bruidspaar
ritselt de fax, trilt de wijn in het melkglas
op het erf wuift de meikers haar kleumende handjes
het is weer eens voorjaar, straks komt de kievit
het vee staat al buiten in ruigere vachten
een eendere hemel hangt lager, de zee is een vijver
maar voor wie gist de inmaak onterfd in de kelder
zal niets ons ontbreken staat er geschreven
in de verte naderen beneveld de steden -


Dan komen we bij het laatste, en meest aangrijpende deel van de dichtbundel. In dit deel, wat net zoals de hoofdtitel ‘totaal witte kamer’ heet, neemt Kouwenaar je mee naar zijn eigen rouwproces. In deze gedichten staan tijd en stilte opnieuw centraal. De gedichten zijn grauw en somber, maar Kouwenaar slaagt er in om alles heel helder en mooi naar voor te brengen, zodat je er als het ware echt bij bent en voelt wat hij voelt. In ‘niet geschreven’ behandelt Kouwenaar de doodse stilte die zijn huis binnendringt en die voor altijd zijn stempel heeft nagelaten, ookal weigert hij om aan deze kilte en stilte toe te geven: ‘dat kan niet waar zijn, niet gezegd, niet gehoord, niet geschreven’.

Dat je door het huis loopt
in mijn donker prevelt, je stilte inspreekt
in mij aflegt, opeet, nee
dat kan niet waar zijn, niet gezegd
niet gehoord niet geschreven
je bent zo volledig alom afwezig, zozeer
in verhangen kleren onteeuwigd
dat je koude voeten mijn passen inhouden
op de verbruikte stilstaande treden
van de weerloze trap naar beneden:
eter komt eindelijk eten, het vlees
is je lievelingseten, het glas
vult de tijd, het brood
blijft de honger, het enige


Kouwenaar maakt in deze dichtbundel vaak gebruik van herhalingen. Zo komt het woord ‘vlees’ in heel wat gedichten terug. ‘Eter komt eindelijk eten, het vlees is je lievelingseten’, via deze woordspeling verwijst Kouwenaar naar de dood, die op zoek is naar restjes die hij naar binnen kan schrokken. Ook de kleuren wit en zwart komen vaak terug. ‘Zwart is in de mode’, ‘Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken, nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik’. Alles rond Kouwenaar voelt zwart aan (rouwen, de dood), maar toch probeert hij zichzelf op te krikken door te denken aan alle mooie herinneringen, die dan weer worden voorgesteld via een witte kleur. De titel ‘totaal witte kamer’ verwijst dus naar de wens van Kouwenaar om alle herinneringen aan zijn echtgenote te behouden en om hun liefde voor altijd te koesteren: ‘dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven, witter dan, samen’. Het raken van gevoelens en er voor zorgen dat emoties oplaaien is het absolute hoofddoel van een dichter en hier slaagt Kouwenaar voor de volle 100% in! Wij willen meer!

Back to the 90’s ...

Wist je dat de eerste genetisch gemanipuleerde gewassen, voor commercieel gebruik, in 1996 werden ontwikkeld? Dat het internet zijn eerste echte doorbraak kende in 1990? Of dat de komeet Hale-Bopp in 1997 voor het eerst voorbij onze zon kwam in 4200 jaar? Nee?

Wel, dat is wellicht te wijten aan feit dat we bijna allemaal “kinderen van de jaren ’90” zijn. Onze generatie had in die periode uiteraard veel ‘belangrijkere’ zaken aan het hoofd: wie zal vandaag van de verdrinkingsdood gered worden in Baywatch? Welke Flippo zal ik straks aantreffen in mijn dagelijks zakje chips? Wanneer zal ik op de Gameboy eindelijk Donkey Kong verslaan? …

Al bij al blijven The 90’s glorieuze jaren, een tijd waarin de gedachte ‘passion for fashion’ overheerste en waarin men nog over straat durfde te lopen in een salopet of, de vooral bij meisjes populaire, Buffalo’s (je weetwel, die schoenen waarmee je letterlijk iemand ‘de kop kunt inslaan’). Ook de muziek uit die periode blijft voor eeuwig in ons geheugen gegrift, denk maar aan de pittige deuntjes van groepen zoals 2 Fabiola, The Vengaboys, 2 Unlimited en Technotronic.

Wanneer ik over al deze jeugdsentimenten nadenk lijkt het alsof de heropgeroepen herinneringen zelf nog mooier zijn dan dat we de eigenlijke tijd beleefd hebben. En zo zijn er heel wat mensen die mijn mening zullen volgen. Denk maar aan de al de tv-specials, groepen of Facebook en de talloze filmpjes op YouTube als eerbetoon aan een decennium uit onze kindertijd waar mensen meer en meer naar terugverlangen. Ook een tweemaal volledig gevulde Ethias Arena in Hasselt, toont aan dat de 90’s muziek volledig terug is.

Vaak hoor je jouw ouders of grootouders mijmeren over hun ‘jonge jaren’ en hoe mooi die wel waren. Ikzelf had altijd gedacht dat dit verschijnsel me nooit zou overkomen en dat ik altijd wel met mijn tijd zou meegaan, maar blijkbaar had ik het mis … Alles komt terug!

donderdag 30 april 2009

Een kroontje op het werk, backstage!

Er zijn enorm veel verkiezingen waar een knappe jongedame uit kan kiezen. Je kunt het zo gek niet bedenken of ze bestaan. Denk maar aan De Eikoningin, Miss Coast, Miss Waregem Koerse, Aardbeienprinses... Soms kan je ze heel moeilijk van elkaar onderscheiden. Weet u wat het verschil is tussen Miss Coast en Miss Beach? Wel, ik niet.

Steeds meer verkiezingen proberen origineel uit de hoek te komen. Men gaat op zoek naar de mooiste mama bij Misses Globe, het sportiefste meisje bij Miss Sports, de mooiste vegetariër uit Europa bij Europe's Sexiest Vegetarians... Met trots kan ik u melden dat een Belgische jongedame, Fiona Dewaele, deze vegetarische verkiezing won.

Als laatste heb je dan de schoonheidsverkiezingen. Miss Belgian Beauty gaat op zoek naar de knapste Belgische jongedame, HLN Babe haalt de knapste lezeres voor de lens en laat de andere lezers meebeslissen wie wint en Miss Reef zoekt het meisje met de mooiste billen of het knapste kontje! Deze schoonheidsverkiezingen worden in de volksmond 'vleeskeuringen' genoemd. Waarom zouden we eens niet een verkiezing organiseren waar elke gewone Belg kan aan deelnemen? Wat dacht je van Miss Zonneslag, Miss Flater, Miss Moppentapper?

Iedereen weet dat echte schoonheid vanbinnen zit maar daar wordt weinig rekening mee gehouden als je deelneemt aan een verkiezing. De perfecte 'look' of uitstraling hebben en een woordje Nederlands kunnen spreken, is in België al meer dan genoeg om een kroontje te verdienen. Eigenlijk moet je 'jezelf kunnen verkopen'. Je moet voldoende sponsors kunnen aanbrengen, toegangskaarten verkopen en mensen overtuigen om smsjes te sturen om een finaleplaats te kunnen bemachtigen. Na een verkiezing ben je eigenlijk een goede verkoper die alle marketingtechnieken beheerst.

Je vraagt je nu waarschijnlijk af waarom mensen aan een verkiezing willen deelnemen. Ik denk dat het vooral gaat om 'contacten leggen'. Je leert nieuwe mensen kennen en je vormt samen met de deelnemers een groep die steeds nauwer met elkaar gaat samenwerken. Door allerlei leuke activiteiten te doen zoals een dagje naar zee gaan, een pretpark bezoeken, een relaxdag in een beautycenter beleven en samen op weekend gaan, onstaan er vriendschappen. Wanneer de spots op jou gericht zijn, is het jouw moment om uit te blinken. Jouw zelfvertrouwen krijgt een boost en je ontdekt wat je sterke en zwakkere punten zijn.

Met dat communiceren en samenwerken in een groep is het opletten geblazen. Al snel worden kleinere groepjes gevormd van hechtere vrienden. Wanneer de finale van een missverkiezing dichterbij komt, verandert de sfeer. Enkele meisjes worden achterdochtig en observeren het gedrag van andere deelnemers. Dàt is het moment waarop het interessant wordt. Vaak vervaagt de grens tussen sociaal zijn en omkoperij. Meisjes die echt willen winnen, durven soms heel ver gaan. Ze kloppen aan bij de organisator voor wat 'advies'. 'Meneer, ik wil zo graag winnen. Ik heb er alles voor over om te winnen.' De organisator is ocharme ook maar een man van vlees en bloed. Maar het kan ook omgekeerd. De sluwe organisator kan zijn macht gebruiken om iets te verkrijgen van de jongedames. Meisjes die absoluut willen winnen en er alles voor over hebben, vormen dan zijn perfecte prooi. Ignace Crombé, schaam u!

Het verkiezingswereldje is niet zwart of wit. Veel dingen die het daglicht niet mogen zien, gebeuren in de grijze schemerzone. Gelukkig verloopt alles volgens het boekje bij het leeuwendeel van de verkiezingen en dat kan ik alleen maar toejuichen. Naast de gewone missverkiezingen kan je ook onverwachts een bekroning krijgen. Kijk maar naar het nieuwsbericht op http://www.hln.be/. 'Actrice Scarlett Johansson heeft de mooiste borsten van Hollywood. Dat menen althans de kijkers van het tv-programma Acces Hollywood, die in een poll de bestgedraaide boezem van het sterrendom mochten uitkiezen.' Naast haar schitterende prestaties op het witte doek wordt ook haar lichaam gewaardeerd door de kijker. Wat wil een vrouw nog meer?

Respect verliezen per zomer

“De jeugd van tegenwoordig kent geen respect meer.”

Volgens de ‘ouderen van dagen’ is dit de waarheid en niets dan de waarheid.
Volgens mij is dit (meestal) klinkklare onzin en mogen de mensen die dit beweren eens een hele grote, nieuwe bril aandoen om goed in de spiegel te kijken.

Als mijn ma mij vraagt om even voor haar inkopen te gaan doen, dan begin ik er altijd aan met goede moed. Jammer genoeg eindigt het iedere keer in ongelofelijke ergernis met als gevolg de rest van de dag slecht gezind rondlopen.
Hoe dit komt, vraagt u zich af? Daar valt in één woord op te antwoorden: gepensioneerden.
We kennen ze allemaal: vriendelijke oudjes die als lieve oma in wangen knijpen en snoepjes uitdelen. Neem ze echter even weg van hun familie en ze worden egoïstische, respectloze figuren.

Zo was ik laatst nog maar eens inkopen aan het doen voor mijn hard werkende mama, toen ik geen kant meer uit kon met mijn zo al moeilijk te besturen winkelkarretje. Langs alle kanten werd ik omsingeld door oudere vrouwen die zich helemaal niet bezighielden met inkopen doen. Ze vonden het veel belangrijker om sociaal te doen met hun peers, iets waar ik helemaal niets op tegen heb. Maar in de plaats van ook te denken aan de brave medemens die enigszins gehaast is bij het winkelen, deden ze gewoon alsof ze de enige personen op de aardbol waren. Ze zetten hun karretjes niet netjes achter elkaar, maar gingen lekker leuk dubbel parkeren. Dan kan je als jong persoon niet anders dan beleefd vragen of je alstublieft even zou mogen passeren. Op die vraag werd ik de vorige keer dus straal genegeerd. Neen, dat is gelogen, ik werd niet straal genegeerd. De twee dames keken me eens goed aan en gingen dan lekker door met de kapsalonroddels, nog steeds de weg versperrend. Door mijn eerdere slechte ervaringen met soortgelijke personen van enige leeftijd, raakte mijn geduld bijna op. Ik wilde de uitspraak van hierboven absoluut niet bevestigen, dus ik bleef kalm en vroeg voor een tweede maal of ze alstublieft hun karretjes een stukje zouden willen verschuiven. (De wijzer op mijn horloge bleef namelijk maar tikken, en ik had nog andere, belangrijke dingen te doen.) Bij die vraag vielen beide dames uiteraard uit de lucht en waren ze lichtjes geïrriteerd. Ik krijg als antwoord: “We zouden wel weggegaan zijn hoor, juffrouw!”
Goed, ik bleef mezelf beheersen en ging rustig door met het verzamelen van de dingetjes die ik nodig had. Er lag niet veel in mijn karretje en ik begaf me naar de kassa waar ik wou aansluiten bij een rij die niet te lang was en waar mijn medemensen ook niet veel in hun karretje hadden liggen. Een slimme, tactische zet, vind ik van mezelf. Nu verwacht je dat alles wel snel ging vanaf toen en ik niet lang meer weg zal geweest zijn van huis, maar niets was minder waar. Ja hoor, daar waren ze weer, de mensen die al ettelijke zomers hebben meegemaakt. Ik stelde mezelf gerust en zei dat ze niet allemaal hetzelfde zijn, er zijn wel degelijk gepensioneerden met respect. Veralgemenen is absoluut ‘not done’, ben ik van mening. Tot op het punt dat ze mij voorstaken, dan was mijn kookpunt bereikt. (Vraag maar rond aan mensen die me kennen, veel geduld heb ik niet, ik vind dat ik die dag mijn best heb gedaan om te blijven ademhalen.)
Ik zei, uiteraard nog steeds op een beleefde manier, dat ik hier eerst was en dat ik het altijd kan appreciëren als mensen hun beurt afwachten. Het spreekt voor zich dat ik dan een hele reeks klachten mocht aanhoren over de jeugd en het woordje respect dat zich niet in hun woordenboek bevindt.

Ik ben mondig genoeg, dus ik kan wel op zo’n stellingen reageren, maar ik wil mijn energie daar niet insteken. Het heeft geen zin, er zijn toch geen oren naar mijn argumenten.
En “if you can’t beat ‘em, join ‘em”.
Er moet alleen een lichte verandering komen in de stelling:
“De jeugd van zestig – zeventig jaar geleden kent geen respect meer!”

“Dat is dan 43 euro en 95 cent, alstublieft.”

zondag 26 april 2009

Het varkentje eens wassen!

In mijn wildste fantasieën (die uiteraard niets te maken hebben met enige vorm van erotiek) ben ik momenteel de beste column ter wereld aan het schrijven. Een publicatie in de Knack of de Humo is natuurlijk het logische gevolg. Toch moet ik (hetzij heel even) terug met mijn gedachten naar de realiteit, waarin ik als bescheiden Reno-student mijn mening met jullie wil delen.
Al enkele dagen vrees ik voor mijn leven! Het begon allemaal dinsdagochtend, rond 8u. Zoals elke ochtend las ik op mijn gemak Het Laatste Nieuws, ik hou immers wel van een beetje opgeklopte sensatie, vroeg in de ochtend. “Al 81 verdachte sterfgevallen in Mexico”, zo luidde de hoofdpagina van mijn favoriete krant. “Goeie grutjes”, dacht ik bij mezelf. Toen ik even verder las, werd het meteen duidelijk dat het om een epidemie van de zogenaamde ‘varkensgriep’ ging. “Jeminee”, dacht ik meteen, “Als men in Mexico al gehoord zou hebben van het spreekwoord ‘het varkentje eens wassen’, dan zullen ze het daar alleszins niet grondig hebben omgezet in de realiteit!”. En zo lachte ik nog een aantal minuten met mijn eigen kurkdroge humor.
Een dag later was het lachen mij echter vergaan! Afgelopen woensdag kwam mijn favoriete krant voor de dag met de koptekst: “Varkensgriep verspreidt zich over andere continenten”. “Oh jeetje”, dacht ik bij mezelf. “Laat ons hopen dat ik geen slachtoffer word van deze nietsontziende allesdodende ziekte!”
Sindsdien heb ik geen enkele nacht nog goed kunnen slapen. Elke avond pieker ik me suf. Tijdens de voorbije stageweek durfde ik amper nog in de buurt van mijn leerlingen komen, zo bang ben ik om besmet te raken! “Och, maak je toch geen zorgen, m’n lieve zoon”, zei mijn moeder gisteren nog. “Die varkentjes zullen jou geen kwaad doen. Weet je nog wat voor een grote fan je vroeger was van Knorretje, dat varkentje uit Winnie De Poeh?”.
Tuurlijk weet ik dat nog… Knorretje was m’n favoriet, de andere personages kon ik immers niet uitstaan. Teigetje, die had zo’n gezicht waar ik graag een paar flinke meppen zou op uitdelen, en Winnie De Poeh, tja… Ik kon niet wachten tot de dag dat die zou stikken in z’n verdomde honing. Nou ja, dankzij die mooie herinneringen aan mijn prille jeugd, die mijn moeder zonet had opgerakeld, kon ik gisteren toch vredig in slaap dommelen.
Voorlopig is er nog niemand in ons heerlijke landje besmet. Laat ons met z’n allen hopen dat dat zo blijft. Of laat ons toch op z’n minst hopen dat ikzelf niet het slachtoffer word, want dat zou mijn toekomstplannen (ooit de Nobelprijs winnen en in 2030 de finale van het wereldkampioenschap voetbal fluiten) aardig in het gedrang kunnen brengen!